Bart ook bloggen
zondag, mei 28, 2006
Het is vrijdagnacht, laat.
Ik sta in een mooie hotelkamer en verdwaast staar ik naar buiten.
Ik woon hier vlakbij.
Ik zie mooie huizen met daar achter kolossale bomenkruinen en een theatrale lucht, zachtjes verlicht door de opkomende zon.
Ik ben naakt en hou me stevig vast aan een groot glas whisky.
Achter me ligt alles waarvan ik van weet dat het van mij is.
Ik neem een tablet antidepressivum en spoel deze weg met een geroutineerde slok whisky.
Warm en vertrouwd glijdt ze naar binnen.
Ik laat m'n gedachten gaan:
Schreeuwen, bonken, bellen, meer schreeuwen –er geen zin in hebben– Wat nu weer? Schreeuwen, rook, zaklantaarns op het dak. Verdomme hier heb ik geen zin in! Rustig naar binnen. Schoenen aan, jas aan, pet op. Nee niet die, waar is m’n andere? Rustig naar buiten. Een rennende blonde buurvrouw. Rook. Een verdwaasde buurvrouw-brunette. “D’r uit Judith, NU, er is brand we moeten er uit.”
Op het dak, politie: is iedereen er, is iedereen er? Wat een gedoe. “Mijn kinderen, mijn kinderen” achter de zaklantaarn aanrennen. Twee halfslapende hummeltjes. Mamma pakt ze. Dekbed mee. Ik pak ook een dekbed. Brandtrap. Donker, brandweer, politie mensen, mensen, mensen, camera’s. Dekbedje om het kindje; warm en vertrouwd. Camera met een lamp. Achter het lint gaan staan. Zullen we voor kijken? Buurvrouwen in hun pyjama, vragende gezichten. Een beetje verslagen. Iedereen is er, iedereen is gezond. Opvang, naar het cafe. Koffie, bier, roken. Was jij niet gestopt? “Als m’n huis rookt, rook ik ook” naar buiten. Camera’s, radio. Kijken, lopen, verdwaast. Kijken, lopen, steeds verder naar achteren moeten. “U mag daar niet staan” “Wat zou jij doen als je huis afbrandt” “Ja maar” “Ja maar” Lange nacht, vreemde nacht. Het wordt licht.
Ik slenter naar het hotel. Het serieuze maar gastvrije gezicht van de nachtportier.
“Ik wil graag een telefoontje plegen en een borrel…”
~
